zelfmedelijden

27

Regelmatig vragen mensen mij wat dat nu eigenlijk is, borderline. Dat vind ik enorm moeilijk om te beantwoorden. Elke psychische ziekte manifesteert zich bij elke persoon anders. Daardoor kan ik enkel vertellen hoe de borderline zich bij mijn moeder lijkt te tonen. Er zijn enkele algemene kenmerken, maar niet elke borderlinepatiënt draagt die met zich mee.
Ik heb heel lang gedacht dat borderline het gevolg was van een genetisch defect. Maar nu blijkt dat erfelijkheid een eerder kleine invloed heeft op de ontwikkeling van de stoornis. Op biologisch vlak kan een mens aanleg hebben voor impulsief gedrag en heftige emoties. Maar belangrijker is het sociaal gegeven: een kind dat opgroeit in een onveilige omgeving heeft veel meer kans om later met borderline geconfronteerd te worden. Dat vind ik behoorlijk ironisch: een kind van ouders met psychische problemen, zonder het erfelijkheidsrisico in te calculeren, heeft meteen veel meer kans om later zelf gelijkaardige problemen te ontwikkelen.
Volgens de criteria (DSM-IV) kan een patiënt worden onderscheiden wanneer ze aan vijf van deze negen criteria voldoen.

Ten eerste tracht een borderlinepatiënt krampachtig te voorkomen om in de steek gelaten te worden. Ook dit is vrij ironisch, want wisselende en instabiele relaties vormen een ander kenmerk. Iemand met borderline denkt immers zwart-wit. Iets of iemand is ofwel geweldig, ofwel vreselijk. Er bestaat geen relatief neutraal gevoel, zoals andere mensen dat kunnen voelen. Dus hoewel men nood heeft aan liefde en intimiteit, duwt een borderlinepatiënt anderen voortdurend weg door intense stemmingswisselingen. Ik denk dat mijn moeder het ene moment zielsveel van mijn vader hield en het andere moment hem haatte tot het diepste van zichzelf. Hoe meer ze van iemand hield, hoe meer ze hen kon haten, zo leek het wel. Bij ons lag dat anders: wij waren haar kinderen, wij waren een deel van haarzelf. Haat sprak ze daardoor zelden voor ons uit, maar toch wisselden momenten waarin ze ons al dan niet moedwillig pijn probeerde te doen zich meteen af met een poging om het krampachtig goed te maken. Hoewel ik op later leeftijd me er van bewust werd dat dit een heel belangrijk symptoom was van haar ziekte, kon en kan ik daar niet aan wennen. Er is immers geen uit-knop voor de slechte periodes, ik kan haar beledigingen niet negeren. Tegelijkertijd besef ik wel dat verlaten worden door haar kinderen één van de grootste klappen was die ze ooit te verwerken kreeg.

Ieders identiteit wordt voor een groot deel gevormd door anderen. Zo zou ik de persoon niet zijn die ik nu ben zonder mijn vrienden (of vroeger: het gebrek aan vrienden), de relaties die ik heb gehad en mijn familie. Doordat mijn moeder voortdurend verlaten werd door al deze verschillende personen, is het ook niet verwonderlijk dat zij ook haar identiteit als zeer instabiel ervaart. Ze lijdt aan een zeer laag zelfbeeld, wat dan weer een negatieve invloed heeft op haar stemmingswisselingen. Bovendien zijn de stukjes identiteit waar ze zich aan kon vastklampen systematisch van haar afgenomen. Haar identiteit als moeder is ze verloren toen wij niet langer bij haar wilden inwonen, of misschien daarvoor al, wanneer we haar ouderlijk gezag niet meer wilden accepteren. Haar identiteit als dochter verdween gauw na de dood van mijn mémé. Zij was één van de enigen die met volle toewijding het contact en de zorg voor haar kind opnam. Het merendeel van haar familie vond haar volwassen genoeg om zelf de schaapjes op het droge te krijgen en vermeden dan ook haar gezelschap in slechte periodes. Veel van haar problemen verwijt mijn moeder ook hen, doordat zij geen stappen hebben ondernomen om haar turbulente jeugd te verzachten.

Iemand die zich voortdurend zo slecht voelt over zichzelf, ziet ook weinig graten in verder leven. Zo zijn er weer twee kenmerken die men aan borderline toeschrijft: het individu voelt een aanhoudende leegte en onderneemt meestal ook verschillende pogingen om zichzelf van het leven te beroven of te verminken. Mijn moeder heeft enkele zelfmoordpogingen achter de rug, maar ik zou durven zeggen dat het eerder een schreeuw om aandacht betrof dan een werkelijke poging om een punt achter het leven te zetten. En dat wil helemaal niet zeggen dat dat minder erg was. Uit het leven stappen was de ultieme dreiging als ze niks anders had om mensen bij haar te houden – “Ik ga mezelf van kant maken!” was dan ook niet ongehoord wanneer ik onze ruzies wilde ontvluchten. Een paar jaar geleden eindigde zo één van de eerste bezoekjes in jaren die ik aan mijn moeder bracht. Ik heb toen het noodnummer gebeld en een ziekenwagen naar haar huis laten sturen. Ze was in alle staten. Ze moet zich enorm eenzaam gevoeld hebben doordat haar eigen dochter er voor koos om een vreemde het te laten oplossen en niet de moeite deed om zelf te helpen. Ook denk ik dat wij, haar dochters, voor haar steeds een reden waren om het leven niet volledig op te geven. Zelfdodingspogingen worden tien procent van de borderlinepatiënten fataal en ik denk dat als wij er niet waren geweest, ze ook aan dit cijfer toe te voegen viel.

Typisch borderline zijn ook: voortdurende en intense woedebuien. Zo blijkt ook uit mijn verhaal: mijn mama was constant kwaad. Ze was ongelukkig en haar verdriet uitte zich in die woede. Aan de hand van psychotherapie wist ze al eerder haar verschillende emoties te erkennen en trachtte ze daar rekening mee te houden. Maar feit is dat wanneer ze geconfronteerd werd met plotse, negatieve situaties, de impulsieve woede weer de overhand neemt.

Dat brengt me bij mijn laatste punt: bij borderline wordt de patiënt gestuurd door impulsief gedrag dat negatieve gevolgen heeft. Dan kan geldverspilling of vreetbuien impliceren, maar bij mijn moeder was er duidelijk alcoholmisbruik in het spel. In de therapie die ze nu volgt, probeert men terug te gaan naar de oorzaak van dit probleem. Feit is dat mijn moeder in haar jeugd zelden gelukkig is geweest en toen ze als tiener de eerste boerenfuiven afschuimde, leerde ze drinken met ‘mazout’ – een typisch jeugddrankje waarbij men een mengeling van cola en bier maakt. Eerlijk gezegd zou ik nog liever echte mazout drinken dan zoiets walgelijks binnen te klokken, maar jammer genoeg ben ik me er van bewust dat jongeren nog steeds leren drinken met zoete drankjes bomvol suiker. Ook ik dronk op dezelfde leeftijd wel eens een Kriek, en vele van mijn leeftijdsgenoten werden meermaals laveloos door hun ouders aangetroffen doordat ze een fikse hoeveelheid jenever met fruit- of vanillesmaakjes door hun lichaam hadden gejaagd.
Het frustreert mij gigantisch dat alcohol een vanzelfsprekend gegeven in onze samenleving lijkt te zijn. Het verbaast niemand dat ik regelmatig eens dronken ben en dat ik kan genieten van een zwaar biertje of een goed glas wijn. Een zware kop en algehele vermoeidheid als gevolg, neem ik er eens graag bij. Toch zie ik zo veel leeftijdsgenoten die keer op keer hun volledige maaginhoud uitkotsen en geconfronteerd worden met zwarte gaten. Wier lichaam hen zo duidelijk maakt dat dit echt te veel is, maar dit gedrag zich wekelijks blijft herhalen. Als ik op een feestje ben en een non-alcoholisch drankje bestel, krijg ik gegarandeerd kritiek op het feit dat ik niet vrolijk meedrink. Een avond met gezelligheid is voor iedereen synoniem voor een avond met alcohol, die met aandringen voortdurend wordt bijgeschonken – ook als men nog met de auto moet rijden. Ik ken zo veel mensen die zich eerst half moeten bezuipen om de slaap te kunnen vatten. Alcoholisme is overal, en toch drinken we lustig verder.
Veel mensen zijn principieel tegen drugs. Vaak omdat er ‘zo veel mensen kapot aan gegaan zijn’. En dat vind ik best. Problematischer vind ik dan dat ik deze uitspraak vooral heb gehoord door mensen die op dat moment een pint in hun hand klemmen. Kennen we dan ook niet allemaal iemand die kapot is gegaan aan alcohol?
Het ergste is dat het zo bereikbaar is. Mijn moeder probeert er van af te blijven, maar het is overal aanwezig. Geheelonthouding is allesbehalve gezellig: als iedereen klinkt op een fijne gebeurtenis, doorgaans met een glas champagne, mag ze daar niet aan deelnemen. En toch vindt ze dat ze geen druppel meer kan aanraken, want ze merkt zelf dat het kwaad haar stiekem weer besluipt als ze zo nu en dan eens een glas drinkt. Waarom zou een mens niet naar de fles grijpen, als het een middel is dat de pijn zo efficiënt bestrijdt en waarvan het gebruik als doodnormaal wordt beschouwd?

Bronnen bij dit hoofstuk: Geestelijk Gezond Vlaanderen en Trimbos Instituut

Advertisements

26

In een verzonnen verhaal zou dit een magische ommekeer betekenen. Maar dat was het niet. Een paar dagen later waren we opnieuw aan het chatten via een bekend sociaal medium. Terwijl ik mijn gevoelens uit de doeken probeerde te doen, nam zij daar aanstoot aan en begon heftiger te fulmineren. Opnieuw het verleden oprakelen maakte mij op mijn beurt dan weer razend. Ik gaf haar de kans: je mag alles vertellen, maar verzwijg voor één keer je eigen fouten niet. Ik wilde alles weten, maar dan wel de volledige waarheid. Ondertussen moest ik me klaarmaken voor een afspraak met een vriendin en hoewel ik dit meermaals liet vallen dat ik bijna moest vertrekken, verstond zij uit de woorden ‘nu ben ik echt weg’ dat ik een eind aan mijn leven zou maken.
Terwijl ik op het punt stond om de deur uit te lopen, kreeg ik een doodkalm telefoontje van mijn oma. “Jouw mama heeft net gebeld en ze is volledig in paniek.” Ik was buiten zinnen dat mama mijn oma had gebeld met de mededeling dat ik zelfmoord zou plegen en op de koop toe naar eigen zeggen al een ziekenwagen had gebeld. Ik was zo kwaad dat ze steeds andere mensen moest betrekken bij haar gedramatiseerde, zogenaamde werkelijkheid en iedereen daardoor ongerust maakte. Voor mij was het een reden om weer alle contact te verbreken.

Dit was een uitzichtloze situatie. Mijn hele leven al werd onze relatie getekend door ruzie maken en het weer bijleggen. Mijn moeder had het principe van ‘vergeven en vergeten’ chronisch uitgebuit en ik kon het niet meer. Ik had helemaal niks kunnen vergeten en ook aan mijn vergevingsgezindheid kwam een eind. Ik wilde niet meer vechten en vond het dringend tijd om iets nieuws te proberen. Ik wilde zelf ook een gebaar maken en stelde daarom voor om samen in therapie te gaan.
Dankzij mijn toegeving leek er een hele nieuwe dynamiek te ontstaan. Al geruime tijd hadden we contact via mail, maar waar ik eerst werd bestookt met impulsieve mailtjes vol korte en soms onbegrijpelijke zinnen, wisselden we nu lange, goed doordachte en respectvolle berichten met elkaar uit.
Ondertussen speelde ik ook met het idee om deze blog op te starten. Nadat mijn moeder haar goedkeuring gaf, wachtte ik in spanning haar reactie af. Ik dacht dat de confronterende, harde waarheid haar razend zou maken. En vreemd genoeg, voor een keer, gebeurde dat niet. Ze las. Het moet heel erg voor haar geweest zijn, daar ben ik me van bewust. Soms vraag ik me af of ik bepaalde uitdrukkingen niet beter had moeten wikken en wegen. Maar ze werd niet kwaad, of toch niet op mij.

Langzamerhand begon ze in te zien dat een opname in een gespecialiseerde instelling misschien toch geen slecht idee was. Daarvoor zou ze die stap enkel ondernomen hebben tegen haar zin, om ons misschien een plezier te doen en als tegenprestatie omdat we lief voor haar waren. Nu besefte ze dat het misschien wel helend zou kunnen zijn voor zichzelf. En eenmaal de aanvraag was voltooid, ging het allemaal heel erg snel.
Op het moment dat ik dit schrijf is mama al enkele weken opgenomen. Het gaat goed. Ze leert zichzelf beter kennen en dat is soms zwaar. Ze maakt nieuwe vrienden, maar het klikt niet met alle personen in de groep. We bellen regelmatig, telefoontjes die zo uitgebreid zijn dat het zijn sporen achterlaat op onze rekeningen. We praten over de vooruitgang die ze boekt en over banale zaken zoals echte moeders en dochters. Elk telefoontje, elke mail beëindig ik nu met het gevoel dat het fijn is om van haar te horen. Dat ik ze mis. Dat zijn gevoelens die ik in jaren niet meer had gehad.

25

Mijn moeder was er de laatste jaren in geslaagd haar alcoholverslaving te overwinnen. Daar mag ik zeker trots op zijn. Enkel op bijzondere gelegenheden dronk ze nog eens een glas. En daar zat het probleem: hoe zeer ze ook haar best deed mij te overtuigen dat ze haar grenzen kende, kon ik het niet geloven.

Mijn proclamatie aan de universiteit had één van de mooiere dagen in mijn leven moeten zijn. Ik had het gehaald, zonder blutsen of builen, een modeltraject, een diploma, ik had het gedaan. En het enige wat ik kon zien was mijn moeder die een glas wijn in haar hand klemde. Ikzelf die een glas wijn in mijn hand klemde. Meteen die allesomvattende angst, meteen schuldgevoel omdat ik haar had uitgedaagd door zelf iets te drinken, omdat ik haar had verleid, omdat ik het ook deed. Die dag is ermee geëindigd dat ik hyperventilerend en zwetend wegvluchtte en haar huilend achterliet. Ze huilt, want waarom kan ik niet geloven dat ze nu echt veranderd is?

Ik had die dag ook vreselijke zenuwen, nog voor ik mijn moeder zag. Mijn grootouders, die ze de jaren voordien had gehaat en lastiggevallen, zouden immers ook aanwezig zijn. Natuurlijk, want zonder hen was van studeren nooit iets in huis gekomen. Mijn moeder had de dagen voor de proclamatie voortdurend paniekaanvallen. Ze zou niet komen. Ze zou wel komen. Ze zou wel komen, want ze was zo trots op mij. Ze zou niet komen, want naar eigen zeggen zag ze er niet uit. En uiteindelijk kwam ze.

Toen ik de aula uitliep en naar mama speurde tussen de talloze groepjes vierende afgestudeerden, kreeg ik een sms’je. “Ik sta bij oma en opa.” Ik kon het moeilijk geloven, en toch was het zo: vrolijk klonken ze samen op mijn diploma, deden niet eens gespeeld vriendelijk tegen elkaar. Mijn moeder bedankte ze voor alles wat ze voor mij gedaan hadden. Het was allemaal echt, en toch was ik verschrikkelijk op mijn hoede. De knagende zenuwen gingen maar niet over, en dat glas wijn maakte het er niet beter op.

Daarna zouden mama en ik samen gaan lunchen – dat had ik zelf voorgesteld. Doodgewone moederdochtergezelligheid had ik al jaren niet meer gevoeld en ook dat joeg me enorm veel angst aan. Als een soort buffer dwong ik mijn vriend ons te vergezellen, mijn Zwitserland tussen twee vrouwen met een onverwerkt verleden. Met elke slok wijn werd ik stiller en mijn moeder juist meer open. Ze vertelde over zaken die ik niet wilde horen. Hoe zacht mijn vriend ook over mijn knie wreef, stotterend en daarna schreeuwend heb ik uitgebracht dat ik het niet kon. Ik ben weggelopen, terwijl mijn moeder daar zat met tranen en onbegrip. Wat had ze verkeerd gedaan? Krampachtig zoekend naar lucht kreeg ik even later de eerste sms’jes – ik verwachtte er die middag nog veel. “Ik had een cadeautje voor je mee, speciale melocakes die je vroeger zo graag lustte, ik laat ze hier staan.” Ik zag het teleurgestelde gezicht van mijn moeder voor me. Ik dacht aan de chocolade die stond te smelten in de zon. Dat beeld van die idiote chocola maakte mij intens verdrietig: zo’n klein, belachelijk detail bezorgde mij zo veel schuldgevoel. Tegelijkertijd vond ik alles zo oneerlijk omdat het míjn dag moest zijn, en ik wist niet eens wie van ons twee hem had vergald.

Ik verwachtte dat ze in alle staten zou zijn omdat ik ze zo had achtergelaten. Maar nee, die middag slikte ze voor het eerst haar woede tegen mij in. Ze sms’te nog een paar keer, dat ze echt trots op me was en dat ik me niet te veel moest aantrekken wat er gebeurd was.

24

Vreemd genoeg haat ik het wanneer ik met vrienden over recente ontwikkelingen met mijn moeder praat – waar zij meestal slecht uitkomt – en zij dan verontwaardigd op haar gedrag reageren. Op één of andere manier wil ik dat andere mensen mij er op wijzen dat het die borderline is die ons het leven zuur maakt, niet mijn moeder. Ik wil dat ze begrip tonen, begrip dat ik zelf soms niet kan opbrengen.

Ik praatte op den duur enkel nog met een tweetal vriendinnen over mijn moeder, vrouwen die een prijs zouden moeten krijgen voor hun empathisch vermogen. En het feit dat ik de culminerende problemen, waar ik steeds meer onder leed, begon te verzwijgen voor mijn beste vrienden, zette mij toch aan het denken. Ik wilde dat iedereen het meer zou kunnen begrijpen, niet alleen mijn situatie, maar de psychische ziekte borderline op zich. Dat, terwijl ik me daar zelf geen eenduidig beeld van kon vormen.

Mijn hele adolescentie is opgetekend in mijn vele dagboeken. Vreemd genoeg leek er een paar jaar geleden een eind te komen aan mijn zelfbeklag – misschien omdat ik leukere dingen te doen had, misschien omdat ik enkele vrienden kreeg die net zo zeer te vertrouwen waren als het papier. Ik herinnerde me de catharsis van het schrijven. Dat ik dit verhaal met anderen wilde delen, maakte het idee van een blog zo gek nog niet. Op een dag begon ik te schrijven, en had algauw twintig pagina’s vol woorden.

Toen ik startte met mijn blog restte me nog één zaak af te handelen waar ik het minst naar uitkeek: de betrokken partijen inlichten van het bestaan. En dat wilde zeggen: ook mijn grootouders, hoewel in mijn hele litanie geen slecht woord over hen te vinden is. Voortdurend ben ik me immers bewust van het feit dat sommige zaken die ik heb meegemaakt niet goedgepraat kunnen worden en dat ik bij zowat elke lezer zal kunnen rekenen op een flinke portie medelijden. En heb net geen behoefte aan medelijden, in ieder geval niet van mijn familie, van mensen die mij voortdurend pijn hebben proberen te besparen.

Toen ze de eerste posts had gelezen zei oma heel bedachtzaam: “Ik had nooit durven denken dat je daar allemaal nog zo veel van afwist. Ergens vrees je er voor, maar je houdt jezelf voor dat het niet zo erg heeft kunnen zijn.”

Ik heb voor veel mensen een verleden opgerakeld dat sommigen misschien liever hadden laten rusten.

23

Achteraf gezien gaf mijn moeder toe dat het een verzinsel was dat ze er had uitgeflapt om mij te kwetsen. Nu ja, dat het wel kon. Die ene keer. Als het condoom was gescheurd.

Wat niet zo was. Ik had geen vermeende vader meer om over te fantaseren. Een gestolen leven dat ik niet had gehad. Ik had alleen een moeder die tijdens ruzies geen enkele kans onbenut liet om mij zo hard mogelijk pijn te doen. Omdat ik al gehard was door haar arsenaal van vreselijke woorden, die door de jaren heen te vaak uitgebuit waren.

Maar toch bleef ik me schuldig voelen over hoe ik zelf was geweest.

Als tiener schaamde ik me behoorlijk voor de hele situatie. Mijn ouders waren ziek en ik woonde in bij mijn grootouders. Ik wist niet goed hoe ik dat bij vriendjes moest aanbrengen zonder het volledige verhaal te doen. Op die leeftijd wordt er ook lustig in groep geklaagd over hoe verschrikkelijk ouders wel zijn: een moeder die zich te veel bemoeit, een vader waarvan níks mag en meer van dat gezeur dat mij kwaad en verdrietig maakte.

Ik herinner me een discussie in de klas toen ik een jaar of veertien was. Iedereen was aan het vitten op het ouderlijke gezag en het maakte me razend verdrietig. Ik kon maar niet begrijpen dat iedereen het had getroffen met zorgende en liefhebbende ouders en daar geen moment dankbaar voor waren. Terwijl ik me daar over aan het opwinden was, onderbrak een klasgenoot mij en zei: “Ja maar, jij begrijpt dat niet. Jij woont bij je grootouders, ik zou dat ook veel toffer vinden om dag in en dag uit verwend te worden, hoor.” En daar werd de vinger op de wonde gelegd. Als kleinkind word je enkel verwend door je grootouders, maar als ze plots de opvoedende functie moeten gaan invullen moeten zij ook meteen de minder leuke aspecten van het ouderschap opnemen. Een autoriteit die ik moeilijk kon verdragen, puber zijnde. Het lastigste vond ik het besef dat mijn ouders in een andere situatie die verantwoordelijkheid zouden moeten dragen, maar dat nu dus niet deden. Al weet ik nu wel dat ik waarschijnlijk ook vrolijk had meegezeurd als de kaarten anders hadden gelegen.

Toen ik als student op mezelf ging wonen, kreeg ik eindelijk de keuze hoe veel ik prijs zou geven over mijn verleden. En toch vertelde ik mijn vrienden juist meer uitgebreid hoe alles was verlopen. Omdat het sommigen meer interesseerde, omdat ik mijn schaamtegevoel had overwonnen en mijn medemens juist bewuster wilde maken over hoe veelvoorkomend psychische ziektes zijn en welke invloed ze kunnen hebben. Als ik mijn verhaal doe vragen veel van mijn vrienden meteen of ik het al die tijd niet lastig heb gehad om naar hun alledaagse en pietluttige problemen te luisteren. Meestal niet. Ik kan niet langer doen alsof ik de enige ben die de dupe werd van een jammere levensloop op jonge leeftijd. Als ik luister en kijk zie ik zo veel leeftijdsgenoten wiens ouders ook psychisch of fysiek te lijden hebben. Alcoholisme, slaande ruzies voor of na een scheiding zijn maar een paar veelvoorkomende problemen.

Als puber liet ik me zwelgen in zelfmedelijden, terwijl ik heus niet nachtenlang lag te huilen omwille van een traumatiserende kindertijd. Ook ik werd verliefd, hield me bezig met vraagstukken over hoe ik me hipper kon kleden in plaats van me af te vragen hoe het met mama zou zijn. En zelfs later, als het gedrag van mijn ouders eens een dag van mijn studentenleven vergalde, wond ik me daar slechts een beperkt aantal uren over op, om dan weer op café te gaan of in de boeken te duiken. Het lijkt de aard van de mens om zich meer te bekommeren over de zaken die niet echt belangrijk zijn. Ik herinner me een vrij goede vriendin van de middelbare school, wier moeder niet zo lang daarvoor zelfmoord had gepleegd. Dat moet zo’n groot verdriet geweest zijn en toch: het meisje in kwestie piekerde meer of die ene jongen al dan niet geïnteresseerd in haar was, dan tranen te vergieten voor haar overleden moeder. Dat was en is haar goed recht, en dat had ik toen beter moeten beseffen.

22

Ik heb immens veel respect voor mijn grootouders. Hoewel het voor mij als een vanzelfsprekendheid voelde dat ik in hun huis en leven werd opgenomen, was het dat allesbehalve.

Al van kleins af aan stonden ze altijd klaar voor mij. Als ik ruzie had met mijn moeder probeerden zij te helpen hoe ze maar konden. Ik belde hen als onze strijd te hevig werd, steeds vaker, en ik kon er gif op innemen dat ik even later werd opgehaald. In de auto, die nooit zijn geur van nieuw verloor, klaagde ik dan over vreselijke buikpijn.

We bleven bij hen voortdurend overnachten, altijd maakte mijn opa speciaal onze favoriete maaltijden klaar. Ze wasten onze kleren, ze troostten me als ik verdrietig was, ze brachten ons naar school, ze waren altijd bereikbaar.

Als het aan mémé en pépé – mijn grootouders langs moeders kant – had gelegen, waren mijn zus en ik al lang en breed in een internaat geplaatst. Zo hadden zij het met hun kinderen gedaan en daar leek hen niets mis mee. Na alle boeken die ik had gelezen over kostscholen leek mij dat ook enkel een heerlijke gedachte. Als het aan mijn moeder had gelegen waren we geplaatst in een tehuis, zo lang mijn vader of zijn familie maar niet de volledige macht over ons kreeg. Want zo zag zij het als oma of opa, zo snel mogelijk en aangemoedigd door mijn telefonisch gehuil, ons naar hun veilige auto bracht: puur machtsvertoon.

Ik heb gepuberd en lastig gedaan. Het ene moment begreep ik mijn grootouders niet, het andere moment probeerde ik hen te begrijpen. Vijf kinderen hebben ze gehad, en wanneer de jongste eindelijk op eigen benen ging staan kregen ze er twee nieuwe bij, waarvan één zich flink in een rebellerende fase bevond. Op de leeftijd die zij intussen hadden bereikt zou een mens de tijd moeten hebben om een hele dag naar herhalingen op televisie te kunnen kijken. In plaats daarvan kregen ze twee verknipte kinderen onder hun hoede.

Waarbij ze zich stiekem soms toch eens moeten afgevraagd hebben, als ze met hun handen in het haar zaten omdat ik weer iets had gedaan dat mij toch uitdrukkelijk verboden was, of die ene wel nog te redden was.

Achteraf gezien waren dat natuurlijk allemaal kleine puberale misstappen waar we nu zelfs om kunnen lachen. Maar op het moment van de feiten weegde het allemaal zwaar door. “Moeten we dit eigenlijk allemaal wel doen?” vroeg mijn opa eens in een erg kwade bui. En toen pas besefte ik: eigenlijk zijn wij niet hun verplichting, wij zijn de zo veelste verantwoordelijkheid die ze hebben opgenomen en nooit voor hadden getekend. En toch deden ze het.

Als mijn vader mijn vader niet was, dan waren mijn grootouders mijn oma en opa niet. Jaren later werd ik geplaagd door een wrang schuldbesef. Mijn gepuber leek niet meer zo onnozel, maar pijn die ik mensen had veroorzaakt die het niet verdienden. Die vanuit geen enkel perspectief de verantwoordelijkheid hadden moeten oppakken om voor mij te zorgen. Waarom was ik geen voorbeeldig kind geweest?

niet verdienden. Die vanuit geen enkel perspectief de verantwoordeli

21

Enkele maanden geleden kwam het besluit van mijn studies in zicht. Mijn jarenlange verspilling wat nutteloze feiten in mijn hoofd stampen en veel dansen en drinken betrof, kwam aan een eind. Ik moest eens gaan nadenken over wat ik zou gaan doen en wat voor iemand ik eigenlijk wilde zijn.

Tijdens mijn studies had ik het verleden laten rusten. Ik mocht eindelijk op eigen benen gaan staan en kon eindelijk alle banden doorknippen met mijn woelige kindertijd. Wat ik natuurlijk niet helemaal deed: tijdens het weekend ging ik vaak op bezoek bij mijn grootouders en soms sprak ik af met mijn vader alsof hij een verre vriend was. Toch slaagde ik er redelijk goed in om het bestaan van mijn moeder te negeren.

Ik had die rust ook echt nodig.

Maar nu naderde ik dus een moment waarbij ik zelf begon na te denken over hoe het moederschap zou zijn, en of ik wel een goed kind ben geweest.

Mijn mémé is veel te jong gestorven aan kanker. Toen ze zich op de palliatieve zorgafdeling bevond ben ik haar maar één keer gaan bezoeken. Ik werd misselijk van de stervende mensen die daar samen op een etage werden gepropt, die verteerd werden door medelijden voor zichzelf en elkaar. Mijn grootmoeders ziekte begon haar hele lichaam al aan te tasten. Gelukkig was het een helder moment waarop ze mij herkende en we zelfs een praatje konden slaan met elkaar. Ik ben altijd heel blij geweest dat ze gestorven is op een moment dat mijn moeder en ik redelijk met elkaar omgingen. Voor haar was het een heilig feit dat een moeder bij haar kind moest zijn, en ze is kunnen sterven met de gedachte dat haar dochter en kleindochter de juiste kant opgingen.

Mijn moeder is de laatste jaren ook op de sukkel geraakt met haar fysieke gezondheid. Tot nog toe geen dodelijke ziektes, maar de mogelijkheid dat die ooit opduiken lijkt me plots griezelig reëel.  Ik wil niet dat ze ooit sterft voor alles is uitgepraat. Voor we elkaar hebben vergeven. Deels uit egoïsme: na haar verschillende zelfmoordpogingen is het voor mij bijna routine haar begrafenis te visualiseren, en ik vertik het om me schuldig te voelen voor haar dood. Deels uit liefde: het blijft mijn moeder. Ik wil dat ze vredig kan sterven en vooral: nog een tijdje leven.

Erg hulpvaardig kwam ze die vergevingsgezindheid niet tegemoet. Ik probeerde meer contact op te nemen, wat er ook in resulteerde dat er meer kansen waren op ruzie. Die ze altijd greep. Na al die jaren waarbij ze mij beledigingen en de zogenaamde waarheid had toegebeten, waarvan ik dacht dat ze niets meer kon onthullen dat me nog zou kwetsen, beleefde ze opnieuw een hoogtepunt. Haar nieuwste openbaring, waarbij vele vorigen zouden verbleken, bestond slechts uit enkele woorden: “Jouw vader is jouw vader niet.”